Van alle overheidsmiddelen die naar sport gaan, komt 90 procent van gemeenten. Daarvan besteden zij 85 tot 90 procent aan bouw, beheer en exploitatie van sportaccommodaties (Mulier Instituut). In geld uitgedrukt is de accommodatie daarmee verreweg het belangrijkste instrument dat een gemeente heeft.
Tegelijk constateert datzelfde instituut dat het aan een goede onderbouwing ontbreekt voor effectief en doelmatig sportaccommodatiebeleid, omdat onderzoek zich vooral op de vraagkant richt en nauwelijks op de aanbodkant (Mulier Instituut). Het grootste budget rust dus op de dunste onderbouwing.
Het probleem is zelden een gebrek aan gegevens
Gemeenten en verenigingen beschikken meestal over ruim voldoende data: ledenadministraties, reserveringssystemen, bevolkingsprognoses, wachtlijsten, accommodatiegegevens, veldnormen, beleidsstukken en jarenlange ervaring van bestuurders.
Het probleem zit in de samenhang. Vier voorbeelden van hoe een losse bron misleidt.
Leden tellen is niet genoeg. Voor een realistisch beeld heb je leden per leeftijdscategorie nodig, teams per categorie, trainingsfrequentie, wedstrijdgebruik, herkomst van leden, wachtlijsten en de verwachte ontwikkeling per doelgroep.
Inwoners tellen is niet genoeg. Vijf procent meer inwoners betekent niet automatisch vijf procent meer behoefte aan elk type voorziening.
Gemiddelde bezetting meten is niet genoeg. Een sportpark kan gemiddeld ruimte overhouden en toch op drie piekmomenten per week volledig vastlopen.
En landelijke normen zijn een startpunt, geen eindantwoord. Ze vertellen niet of de lokale planning efficiënt is, of velden daadwerkelijk beschikbaar zijn, of er trainers voorhanden zijn.
Wat wij in de praktijk zien
Wij komen op sportparken waar alle benodigde gegevens al aanwezig zijn, netjes bijgehouden en actueel, maar nooit naast elkaar gelegd. Pas als dat wel gebeurt, blijkt bijvoorbeeld dat de wachtlijst van de ene vereniging samenvalt met leegstand bij een andere, twee straten verderop.
Dat is geen verwijt aan wie de cijfers bijhoudt. Het is een gevolg van hoe de gegevens ontstaan: elk systeem is gebouwd voor een eigen doel, en niemand is eigenaar van het totaalbeeld.
Waar het misgaat bij een besluit
De grootste fout is dus niet dat er te weinig gegevens zijn. De grootste fout is dat beschikbare gegevens los van elkaar worden geinterpreteerd, waardoor een besluit rust op een half beeld.
Voor een college of raad is dat lastig te herkennen. Een rapport met cijfers oogt onderbouwd, ook als de cijfers nooit met elkaar in verband zijn gebracht. Sportgrond verbindt die losse bronnen tot een samenhangend beeld, zodat een besluit standhoudt als er kritisch op wordt doorgevraagd.
Wil je weten of de gegevens over je sportpark een volledig beeld geven? Wij van Sportgrond kijken daar graag kritisch met je mee. Dat samenhangende beeld is precies de basis voor een goed onderbouwde sportparkvisie.
Een haalbaarheidsonderzoek is geen rekensommetje achteraf
