Blog

Het Sportpark met de hoogste bezetting is niet het best benutte Sportpark

Door Natasja Heijink

Een sportpark benutten: links een vol bezet sportveld onder lichtmasten, rechts een rustiger sportpark met wandelaars, ouderen en schoolkinderen

Er zijn sportparken die op dinsdag- en donderdagavond volledig vol zitten, en waar op zaterdagochtend nauwelijks een veld vrij is. Op de bezettingsgrafiek zien die er uitstekend uit. Er zijn ook Sportparken met een lagere bezetting die beter worden benut. Dat klinkt tegenstrijdig tot je kijkt waar het cijfer vandaan komt.

Wat een bezettingscijfer telt

Een bezettingsgraad wordt opgebouwd uit verhuururen aan sportgebruikers. Trainingen, wedstrijden, competitie. Wat een park doet buiten die uren, telt niet mee, en wat er in die uren niet gebeurt evenmin.

Neem een park waar drie clubs de avonden en de zaterdag vullen. Doordeweeks overdag en op zondagmiddag ligt het stil. Niemand heeft daar last van, want die uren staan in geen enkele rapportage. En neem een park met dezelfde stille ochtenden, waar de basisschool ernaast twee ochtenden per week het hoofdveld gebruikt, waar op dinsdagmiddag een beweeggroep voor ouderen traint, en waar de kantine op donderdag openstaat voor een buurtinitiatief dat niets met sport te maken heeft. Geen van die momenten haalt de bezettingsstatistiek van de sportclubs, want daarin worden ze niet meegeteld. Op papier scoort dat park lager.

Waar het verschil echt in zit

Stel dat beide parken morgen hun laatste lege uren zouden invullen. Het eerste park kan dat alleen nog met extra trainingsuren voor de bestaande clubs, want die vullen de piekmomenten al. Het tweede park kan die uren nog geven aan groepen die nu helemaal geen plek hebben.

Dat is het onderscheid dat een bezettingspercentage niet laat zien. Optimaal gebruik gaat niet over hoeveel uren zijn volgeboekt, maar over wie er in die uren staat, en of dat de uren zijn waarop die groep ook daadwerkelijk kan.

Een school kan niet 's avonds gymles geven. Een ouderengroep plant niet op zaterdagochtend, wanneer de jeugdteams spelen. Precies de uren die voor een sportclub onaantrekkelijk zijn, zijn voor deze groepen vaak de enige die werken. Dat maakt de daluren van een sportpark geen probleem dat om meer clubs vraagt, maar een kans die om andere gebruikers vraagt.

Waarom dit cijfer zo hardnekkig is

Wij komen op sportparken waar het gesprek begint met de vraag hoe het park voller kan, terwijl het park op de momenten die ertoe doen al vol zit. De bezettingsgraad is dan de enige beschikbare maat, dus wordt daarop gestuurd, en dat leidt onvermijdelijk naar meer velden of meer clubs. Dat is zelden iemands fout. Verhuuroverzichten registreren wat er is verhuurd aan sportgebruikers, niet wat er is gebeurd; wie er verder op het park kwam, komt in geen enkel systeem terecht en telt dus ook niet mee in de verantwoording.

Wij vervangen die vraag daarom door een andere: welke uren staan structureel leeg, en welke partijen in de buurt zouden daar iets aan hebben. Een school, een zorginstelling, een welzijnsorganisatie, of gewoon de buurt zelf. Dat vraagt om vaststellen wat er nu feitelijk gebeurt, niet om een hoger percentage.

Een eerste beeld daarvan kun je zelf maken met de Benuttingscheck: die laat zien hoeveel uur de locatie actief is en hoeveel ruimte er buiten de piek overblijft.

Voller is het verkeerde doel. Bruikbaar op de momenten dat het nodig is, dat is het doel. Weet je of je sportpark eruitziet als het eerste of als het tweede park, en wat er met de lege uren zou kunnen gebeuren? Wij van Sportgrond brengen dat in kaart en zoeken uit wie er in die uren zou passen.

Leeg overdag, vol op dinsdagavond: het probleem van piekdruk

Lees meer over onze aanpak

Neem contact op