In de werksessies waarin een omgevingsvisie tot stand komt, zit vrijwel altijd iemand namens wonen, iemand namens verkeer, iemand namens groen en iemand namens economie. Sport zit er lang niet altijd bij. Dat lijkt een detail in het schema, maar het bepaalt voor jaren waar het sportpark in de gemeentelijke besluitvorming terechtkomt.
Wat er feitelijk is veranderd
De Omgevingswet bundelt zesentwintig wetten tot één wet, en vervangt de losse bestemmingsplannen door één omgevingsplan per gemeente (Vereniging Sport en Gemeenten). Daarnaast is elke gemeente verplicht een omgevingsvisie op te stellen: de langetermijnvisie op een gezonde en veilige leefomgeving. De regels die daaruit volgen, landen in het omgevingsplan (Kenniscentrum Sport & Bewegen).
Voor het sportpark betekent dat vooral iets over volgorde. Waar voorheen per gebied een bestemmingsplan werd herzien, ligt er nu een samenhangend geheel waarin functies tegen elkaar worden afgewogen.
En wat er niet is veranderd
Hier past nuchterheid, want de Omgevingswet wordt vaak gepresenteerd als de motor achter het open sportpark. Dat klopt niet. Er zijn geen nieuwe regels voor de vormgeving van de openbare ruimte, en de gevolgen van de wet voor bewegen in die ruimte zijn klein (Allesoversport, 2024).
Er is dus geen verplichting die een sportpark een betere positie geeft. Wat er wel is, is ruimte. Een gemeente die sport en bewegen een plek wil geven in de leefomgeving, kan dat via de omgevingsvisie, het omgevingsplan of een programma vastleggen. Maar dat gebeurt alleen als iemand het agendeert.
Waarom het moment zwaarder weegt dan de wet
De inhoudelijke keuzes vallen in de omgevingsvisie; de regels volgen daarna in het omgevingsplan. Wie pas aanhaakt bij het omgevingsplan, praat over regels binnen een richting die al bepaald is.
De consequentie is jarenlang merkbaar. Staat het sportpark in de visie beschreven als sportfunctie, dan wordt elk breder gebruik later een uitzondering waarvoor iets geregeld moet worden. Staat het beschreven als plek voor bewegen, ontmoeten en gezondheid in de wijk, dan is datzelfde gebruik vanzelfsprekend geworden.
Wat het omgevingsplan niet oplost
Nog een nuance die voor teleurstelling zorgt. Ook als het omgevingsplan breder gebruik toestaat, blijven grondeigendom en aansprakelijkheid gewoon gelden. Wat planologisch mogelijk wordt gemaakt op private grond, kan alleen met instemming van de eigenaar. Op een sportpark waar de vereniging het clubgebouw bezit en de gemeente de grond, opent het omgevingsplan een deur, maar regelt het niet wie verantwoordelijk is voor wat daarachter gebeurt.
Wie er niet aan tafel zat
Wij komen op sportparken waar de omgevingsvisie het park in één zin afdoet als sportvoorziening, en waar niemand bij de gemeente zich herinnert dat daarover een keuze is gemaakt. Bij navraag blijkt de sportafdeling niet uitgenodigd te zijn voor de sessies waarin die tekst is geschreven. Dat is zelden iemands fout. Een omgevingsvisie wordt getrokken vanuit ruimtelijke ordening, de deelnemerslijst volgt de indeling van dat domein, en sport valt daar organisatorisch buiten; niemand heeft het park bewust weggelaten, het stond alleen op geen enkele lijst.
Wij beginnen daarom met een leesopdracht in plaats van een plan: hoe staat dit sportpark beschreven in de vigerende omgevingsvisie, en wanneer is die voor het laatst geactualiseerd. Dat is een half uur werk en het bepaalt vaak meer dan een jaar aan overleg.
Weet je hoe jouw sportpark in het gemeentelijke kader staat, en wat daar wel en niet mogelijk is? Wij van Sportgrond zoeken dat uit, het liefst voordat de volgende actualisatie in gang wordt gezet.
Openstellen verandert niet alleen het gebruik, maar ook de zorgplicht
