Zodra het woord fusie valt, verandert de temperatuur van het gesprek. Wat tot dan toe over samenwerken ging, gaat opeens over verdwijnen. Dat is jammer, want tussen zelfstandig blijven en samengaan zit meer ruimte dan de meeste besturen zich realiseren.
De bond adviseert zelf om eerst iets anders te proberen
Die nuance komt van de sportbond zelf. De KNVB adviseert verenigingen die in een lastige tijd zitten om eerst een samenwerking aan te gaan, omdat daarmee soms al zoveel bereikt wordt dat een fusie niet nodig blijkt (KNVB). Een fusie is in die redenering niet de oplossing, maar het uiterste van een schaal.
Vier vormen, oplopend in verbondenheid
De lichtste vorm is contractueel. Twee verenigingen leggen vast wat ze samen doen: gezamenlijke jeugdteams, gedeelde inkoop, een gezamenlijke trainer. Bij voetbal blijven leden daarbij lid van de eigen vereniging en worden spelers via een collectieve dispensatie speelgerechtigd gemaakt voor de samenwerking (KNVB). Juridisch verandert er niets, alles kan terug.
Een stap verder is een aparte rechtspersoon, meestal een stichting, waarin de gezamenlijke activiteiten worden ondergebracht. Het voordeel is dat die organisatie zelf overeenkomsten kan sluiten en personeel in dienst kan nemen.
Dan de federatie: een vereniging van rechtspersonen, waarbij de verantwoordelijkheden bij de afzonderlijke besturen blijven liggen, met een eigen begroting en eigen contributie per vereniging. In de statuten staat welke verplichtingen de federatie haar leden kan opleggen, en juist die vraag bepaalt of het werkt. Als nadeel geldt dat de vertegenwoordiging richting de algemene vergadering niet altijd helder is en dat besluitvorming extra aandacht vraagt (KNVB).
Het verst gaat de omnivereniging, waarbij meerdere takken van sport onder een vereniging vallen. Voordelen en nadelen lijken sterk op die van een fusie (KNVB). Wat die vorm betekent voor het beheer en gebruik van het sportpark zelf, staat in een apart artikel.
Een omnivereniging verandert het bestuur, niet de veldverdeling
Wat een tussenvorm doet met het sportpark
Hier ligt het punt dat in de meeste adviezen ontbreekt. Een tussenvorm lost het identiteitsvraagstuk op en creeert een nieuwe vraag: wie is dan de partij?
Bij een fusie is dat helder. Eén bestuur, één huurovereenkomst, één aanspreekpunt. Bij een contractuele samenwerking blijven er twee besturen, twee overeenkomsten en twee begrotingen, terwijl het gebruik van het park inmiddels vervlochten is. Wie tekent er dan voor de gezamenlijke kantine, wie is verantwoordelijk als de gedeelde velden overbezet raken, en met wie voert de gemeente het gesprek over de investering?
Wat een tussenvorm openlaat
Wij komen op sportparken waar de samenwerking op het veld al vijf jaar goed loopt en waar de gemeente nog steeds met twee partijen aan tafel zit die allebei zeggen dat de ander erover gaat. De vorm is licht gekozen, juist omdat hij licht aanvoelde, en niemand heeft daarna vastgelegd wie namens het geheel spreekt. Dat is zelden iemands fout. Een lichte samenwerkingsvorm wordt gekozen om iets niet te hoeven regelen, en dat werkt precies zo lang als er geen besluit nodig is dat het park als geheel raakt.
Wij zetten daarom bij elke tussenvorm dezelfde vraag op tafel: wie is straks de gesprekspartner voor het park, en waar staat dat. Dat kost een afspraak extra en voorkomt dat een goede samenwerking alsnog vastloopt op de eerste investeringsvraag.
Besturen beginnen meestal bij de vorm: moeten wij een federatie worden, of volstaat een overeenkomst? Dat is de verkeerde volgorde. De vraag die eraan voorafgaat is welke last je precies wilt delen: te weinig bestuurders, een veld dat te vol zit, een kantine die niet rondkomt, of een jeugdafdeling die alleen niet meer te vullen is. Elk van die problemen wijst naar een andere vorm, en sommige vragen helemaal geen nieuwe organisatievorm maar een andere verdeling van de uren. Speelt dit op je sportpark? Wij van Sportgrond kijken graag mee naar wat het gebruik van het park erover zegt, want dat is vaak een beter antwoord dan de vormvraag.
Fusies beginnen zelden bij het bestuur. Ze beginnen bij de D1 en de jeugd.
